Nieuws

Rechter in beroep oordeelt dat een VME niet als een onderneming in de zin van het WER kan worden beschouwd

Aanleiding van deze uitspraak betrof een geschil waarin enkele bedingen van het Reglement van Interne Orde van een bepaalde vereniging van mede-eigenaars door een mede-eigenaar aangevochten werden als onrechtmatige bedingen in de zin van artikel I.8, 39° van het Wetboek Economisch Recht.

VME onderneming WER. Vereniging van mede-eigenaars. Reglement van interne orde.
Share:

In dat verband oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dat het begrip ‘onderneming’ in artikel I.8, 39° van het Wetboek Economisch Recht zo veel mogelijk dient uitgelegd te worden in het licht van de bewoordingen en het doel van de Richtlijn oneerlijke bedingen, teneinde de met deze richtlijn beoogde doelstellingen te kunnen bereiken. Zo oordeelde de rechtbank dat het begrip ‘verkoper/onderneming’ in de zin van deze Richtlijn oneerlijke bedingen ruim dient te worden geïnterpreteerd, maar dat er wél nog steeds sprake moet zijn van een beroepsactiviteit om hieronder te kunnen vallen. Dit is niet het geval bij een vereniging van mede-eigenaars.

 

Artikel 577-5, §3 eerste lid Oud Burgerlijk Wetboek, thans artikel 3.86, §3 Nieuw Burgerlijk Wetboek, omschrijft het doel van de vereniging van mede-eigenaars als bestaande uit uitsluitend (…) het behoud en het beheer van het gebouw of de groep van gebouwen. De rechtbank oordeelde dat een dergelijke activiteit geen beroepsactiviteit uitmaakt.

De rechtbank oordeelde dat de wetgever ervoor heeft geopteerd om individuele mede-eigenaars te groeperen en te institutionaliseren in de vorm van een rechtspersoon, zodat deze eenvoudiger in rechte kunnen optreden, en in het bijzonder eenvoudiger in rechte kunnen worden aangesproken. Bijgevolg betreft een vereniging van mede-eigenaars niets meer dan de vertegenwoordiging van de verschillende mede-eigenaars volgens de rechtbank.

 

Daarnaast stelde de rechtbank dat het beschermingsstelsel van de Richtlijn oneerlijke bedingen gelinkt is aan de vaststelling dat de consument ten opzichte van de verkoper/onderneming over minder informatie beschikt en aldus in een zwakkere onderhandelingspositie staat, waardoor de consument zou instemmen met van tevoren door de verkoper opgestelde voorwaarden, zonder op de inhoud daarvan invloed te hebben kunnen uitoefenen. De rechtbank oordeelde dat dit duidelijk niet het geval is in de relatie tussen de individuele mede-eigenaar en de vereniging van mede-eigenaars. De individuele mede-eigenaar beschikt namelijk over dezelfde informatie als de vereniging van mede-eigenaars, aangezien de individuele mede-eigenaar deel uitmaakt van de algemene vergadering, en dus op de hoogte is van alle informatie waarover ook de vereniging van mede-eigenaars beschikt. Bovendien beschikt een individuele mede-eigenaar over stemrecht, en kan hij/zij beslissingen desgevallend aanvechten wanneer hij/zij deze onrechtmatig zou achten.

 

De rechtbank besloot daarmee aldus dat een vereniging van mede-eigenaars geen verkoper/onderneming in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen is, bij gebrek aan een beroepsactiviteit in hoofde van de vereniging van mede-eigenaars. Hieruit volgt dat een vereniging van mede-eigenaars niet als een onderneming aanzien kan worden, zodat de regels inzake onrechtmatige bedingen niet van toepassing zijn.